FAQ’s Algemeen Diagnostisch Protocol
Waarom staat het Algemeen Diagnostisch Protocol centraal?
Het Algemeen Diagnostisch Protocol (ADP) is een leidraad voor diagnostiek binnen de onderwijscontext. Het vormt het raamwerk voor de verschillende Specifieke Diagnostische Protocollen. De Specifieke Diagnostische Protocollen (SDP)’s zijn geschreven als aanvulling op deze basistekst. Wanneer je een SDP raadpleegt, dien je steeds het ADP bij de hand te hebben.
Het ADP:
- gaat in op de invulling van de belangrijkste opdrachten en afspraken, taakverdeling, aandachtspunten, … binnen CLB en onderwijs, zoals voorgeschreven in de wetgeving
- licht systematisch de verschillende fases van het zorgcontinuüm toe.
- beschrijft de denkkaders en begrippen die aan de basis liggen van Prodia.
- integreert het decreet leersteun, zowel op vlak van terminologie als binnen de fases van het zorgcontinuüm.
Meer informatie kan je vinden in het themanummer van Caleidoscoop d.d. juni 2024
Wat zijn de voor- en nadelen van het gebruik van het Prodia-model en ICF-CY binnen een HGD-traject?
Binnen een HGD-traject staat een dimensionele benadering van de moeilijkheden centraal. Dat is vooral zichtbaar bij het clusteren van informatie in de strategiefase en de integratie- en aanbevelingsfase, waarbij we loskomen van diagnoses en een categoriale classificatie en het functioneren van de leerling en zijn context dimensioneel clusteren.
Een van de verschillen tussen ICF-CY en het Prodia-model is dat ICF-CY handvatten biedt om op een neutrale manier tot dimensionele classificatie van informatie te komen zonder theoretische inzichten weer te geven. Het Prodia-model daarentegen, is een theoretisch model dat wetenschappelijke inzichten rond de ontwikkeling en het welbevinden van leerlingen beschrijft. Het is een transactioneel model, waarbij de wisselwerking tussen de verschillende bouwstenen centraal staat.
Een ander verschil tussen ICF-CY en het Prodia-model is dat de factor ‘Externe factoren’ van ICF-CY binnen het Prodia-model opgesplitst werd in twee grote bouwstenen, namelijk de ‘thuis- en leefcontext’ en de ‘schoolcontext’. Dit omdat beide een belangrijke rol spelen binnen onderwijsdiagnostiek. Binnen het Prodia-model wordt dus dieper ingegaan op de verschillende contexten, wat niet het geval is bij ICF-CY. Vanuit de ‘Externe factoren’ in ICF-CY is het moeilijker om de vertaalslag te maken naar concrete behoeften en aanbevelingen voor leerling, ouders en school. Wie het Prodia-model hanteert neemt dus ook de clusters van ICF-CY mee maar binnen het Prodia-model is het nog aan jou om de concretisering of diepgang in ICF-CY toe te passen.
In onderstaande afbeelding, zie je goed hoe ICF-CY geïntegreerd is in het Prodia-model.

Bekijk zeker ook de kennisclip ‘ICF-CY binnen het Prodia-model’.
School, ouders en leerling contacteren het CLB. Zij willen weten of er sprake is van een (ontwikkelings)stoornis. Welke rol speelt het CLB hierin?
Het CLB heeft hierin twee belangrijke rollen. Het kan een indicerende rol opnemen en nagaan wat de leerling nodig heeft om zich optimaal te ontwikkelen en goed te functioneren. Hierbij staat het formuleren van onderwijs-en opvoedingsbehoeften en het geven van handelingsgericht advies centraal. Het CLB kan ook een onderkennende rol opnemen en nagaan wat de leerling heeft of in welke mate er aanwijzingen zijn voor een bepaalde (ontwikkelings)stoornis. Voor bepaalde stoornissen zoals dyslexie, dyscalculie en verstandelijke beperking kan het CLB zelf een diagnose stellen. Voor andere stoornissen zoals bv. ontwikkelingsdysfasie, ADHD en ASS verkent het CLB vooral de aard, ernst en hardnekkigheid van de problemen en verwijst het indien nodig door naar een extern multidisciplinair team.
Ook na het bijschakelen van externe diagnostiek of hulpverlening blijft het CLB de leerling en de ouders opvolgen, in samenwerking met de school en in overleg met de netwerkpartner(s). Vanuit dit overleg kunnen de resultaten van een extern onderzoek vertaald worden naar onderwijs- en opvoedingsbehoeften binnen de schoolcontext en naar handelingsgerichte adviezen voor de leerling, de ouders en de school. Het CLB-team fungeert hierbij als draaischijf tussen de leerling/ouders, de school en het externe hulpverleningsnetwerk.
Bekijk zeker ook de kennisclip ‘ICF-CY binnen het Prodia-model’.
Binnen welke fase van het zorgcontinuüm passen welke maatregelen?
Het zorgcontinuüm geeft weer hoe de zorg is georganiseerd en de aanpak voor een leerling(groep) wordt uitgewerkt. Leerlingen worden begeleid vanuit één of meerdere fasen van het zorgcontinuüm. Leerlingen of maatregelen worden niet in een fase geplaatst.
Er bestaan weinig maatregelen die pas na een bepaalde fase kunnen worden ingeschakeld. Veel hangt af van wie het traject opvolgt (de klasleerkracht, het zorgteam op school, het CLB…) en welk traject er gelopen wordt.
De leerkracht past binnen brede basiszorg maatregelen toe vanuit de algemene klas- en schoolwerking. Dit zijn over het algemeen differentiërende en remediërende maatregelen. Een aanpak hoort thuis binnen de brede basiszorg als de aanpak binnen het beleid op leerlingenbegeleiding voor alle leerlingen past en door de klasleerkracht in de klas wordt gebruikt én opgevolgd.
Het zorgteam denkt samen met de leerkrachten, ouders, de leerling en eventueel andere partners na over wat nodig is om de leerling of een leerlingengroep te laten ontwikkelen en groeien. Vaak gaat dit over het bijkomend inzetten op remediërende en compenserende en eventueel over het inzetten op dispenserende maatregelen, maar dit kan ook gaan over materiële aanpassingen.
Samenwerken binnen een continuüm van zorg vertrekt vanuit een collectieve verantwoordelijkheid waarbij de school de eindverantwoordelijkheid heeft over het totale leerproces van de leerlingen en doorheen het zorgcontinuüm verschillende actoren de regie opnemen van het besluitvormingsproces of traject. De leerkracht heeft de regie in handen om de ontwikkeling van de leerling te stimuleren binnen de klas, het zorgteam heeft de regie over het gefaseerd besluitvormingsproces in verhoogde zorg, het CLB heeft de regie over het handelingsgericht diagnostisch traject binnen uitbreiding van zorg. De fasen lijken elkaar één op één op te volgen, maar versterken elkaar in de praktijk. Bijgevolg dient ook de toepassing flexibel en dynamisch te zijn, op maat van de school, leerling en zijn context.
Waar vind ik handvatten voor onderwijsloopbaanbegeleiding (OLB) binnen het zorgcontinuüm?
Onderwijsloopbaanbegeleiding is één van de vier begeleidingsdomeinen die meegenomen zijn doorheen het Algemeen Diagnostisch Protocol. Zo vind je aspecten ervan terug in het Prodia-model. Voor een meer specifieke focus op onderwijsloopbaanbegeleiding kan je terecht op de website ‘Een stap vooruit’, ontwikkeld door de Vlaamse werkgroep OLB-diagnostiek. Je bereikt deze website ook via Protocollen – OLB-diagnostiek. Op deze website vind je de wetenschappelijke tools om kwaliteitsvol het studiekeuzeproces te begeleiden. De website focust op uitbreiding van zorg maar beschrijft ook onderwijsloopbaanbegeleiding doorheen het zorgcontinuüm. Daarnaast kan je ook terecht op de websites van de verschillende pedagogische begeleidingsdiensten en permanente ondersteuningscellen onder het thema onderwijsloopbaanbegeleiding.
Welke richtlijnen stelt het ADP voor de registratie in LARS?
Welke richtlijnen stelt het ADP voor de registratie in LARS? Hoe verhoudt ‘Vraagverheldering’ in Lars zich tot het HGD-traject? Zit de vraagverheldering in het HGD-traject of gaat het eraan vooraf?
Vanuit Prodia zijn er geen richtlijnen over registratie in LARS, maar het ADP kan wel inspiratie geven om met LARS te werken. Zo volgt het Algemeen Diagnostisch Protocol de definitie van de kernactiviteiten zoals ze opgenomen zijn in het Decreet Leerlingenbegeleiding. Een tweede aanknopingspunt is doelgericht werken; hou bij de keuze van activiteit in LARS het doel van het gesprek of de actie voor ogen. Dit geeft houvast bij de keuze tussen kernactiviteiten maar ook tussen de fasen van het HGD-traject. Zo is niet elke teamvergadering HGD-strategie, dat is enkel zo als je op basis van geclusterde informatie het diagnostisch traject bepaalt en waar nodig hypotheses en onderzoeksvragen opmaakt.
Het onthaal is het eerste contactmoment tussen het CLB en de leerling, de ouders, de school en/of netwerkpartners rond een leerlinggebonden vraag.
De vraagverheldering heeft steeds als doel om het vervolgaanbod te verkennen. Op basis daarvan beoordeelt het CLB welke kernactiviteit(en) aangewezen zijn in functie van de aangemelde problemen. Indien nodig kan het CLB in deze fase beslissen om bijkomende kernactiviteiten in te zetten, zoals een handelingsgericht diagnostisch traject (HGD), een handelingsgericht advies (HGA), begeleiding, of de draaischijffunctie waarbij het CLB afstemt en samenwerkt met andere partners. Ook consultatieve leerlingenbegeleiding kan ingezet worden na vraagverheldering maar wordt doorgaans niet geregistreerd in LARS.
De vraagverheldering gaat dus vooraf aan een HGD-traject en zal in LARS altijd eerst aangeduid/ingevuld moeten worden vooraleer je HGD-intake kan aanklikken. Eens je in LARS ‘HGD-intake’ hebt aangeduid, zijn er verder geen restricties meer in de functies die je kan gebruiken binnen HGD. ‘HGD-intake’ moet sowieso aangeduid worden om de volgende stap ‘HGD-strategie’ vrij te krijgen in LARS.
Klik hier voor de website van LARS waarop je steeds de meest recente informatie vindt.